Nieuws‎ > ‎

‘No harm’ – de rol van het slachtoffer in onze cultuur

Geplaatst 7 apr. 2016 12:28 door Hagediensten Heuvelrug
Wij zijn postmoderne liberalen, horen we: wij zijn vrij om te doen wat je wilt, tenzij je slachtoffers maakt. Dat klinkt mooi, dit no harm-beginsel. Zeker in deze dagen, waarin politici ons vertellen dat we ook na ‘Brussel’ gewoon door moeten gaan met “onze manier van leven”. De werkelijkheid is echter dat dit no harm-beginsel vijf culturele effecten heeft waar we nodig met elkaar over in gesprek moeten.

Door: Fred van Iersel

Allereerst volgt het hedendaagse levensbeschouwelijk liberalisme in feite een zeer beperkte economische logica. Al zijn waarden draaien om de economische kracht die ontstaat uit vrijheid tot particuliere eigendom. Juist de economische logica met zijn behoefte aan energie, productie en consumptie, en zijn in economisch opzicht halfslachtige medewerking aan de na-oorlogse dekolonisatie, ligt echter ten grondslag aan de ontwrichting van de Arabische wereld waar het al sedert de Eerste Wereldoorlog, maar nog sterker sedert de Tweede Wereldoorlog, slachtofferschap gegenereerd heeft – en reacties daarop. De westerse verslaving aan olie heeft een emancipatie van deze slachtoffers mogelijk gemaakt.

Ten tweede: het no harm-beginsel zet een premie op slachtofferschap: om iets gedaan te krijgen van anderen moet men zich in de open liberale samenleving als slachtoffer presenteren. Door dit culturele effect van het no harm-beginsel zet de liberale publieke cultuur mensen niet in hun kracht, en dit terwijl het liberalisme juist autonomie, zelfverwerkelijking, zelfontplooiing en zelfredzaamheid preekt, die allemaal vrijheid, verantwoordelijkheid en vooral kracht veronderstellen. Dat is niet alleen een contradictie, het slachtofferschap zelf moet vervangen worden door het ‘overleverschap’ (survivor), aldus reeds de Amerikaanse psychiater Robert Jay Lifton. Hij is een van de grondleggers van trauma-theorieën die de nadruk leggen op het vermogen van slachtoffers om te overleven en verantwoordelijkheid voor de toekomst te nemen.

Het derde culturele effect van het no harm-beginsel is dat onze cultuur ons allemaal bij voortduring opzadelt met het dilemma van de ‘guilty bystander‘: we zijn hypersensitief geworden voor het zien van slachtofferschap van anderen. We zijn ten prooi gevallen aan een door media gestuurde pastoralisering van alle leed in de wereld: het beginsel doet niet alleen een beroep op onze ‘compassie’ – op zachte humaniteit in confrontatie met de hardheid van het economisme –, maar ook op onze wens vanuit onze goede bedoelingen iets te doen. Maar doordat er zich steeds nieuwe aanslagen en rampen voordoen, verliezen de gepastoraliseerde compassie en actiebereidheid hun focus: ze vervluchtigen door hun oneindige meerzijdigheid en hun tijdelijkheid. Dit versterkt de ervaring van machteloosheid bij omstanders. Als antwoord hierop ontwikkelen we rituelen waarin niets meer benoemd wordt (stille tocht, bloemenzee) en dus het gesprek over de betekenis van een gebeurtenis verstomt en het publieke zoeken naar waarheid en juist handelen stokt. Het debat zou moeten gaan over het zoeken van interpretatie-vereisten en argumentatie hierover. In plaats daarvan zien we vooral emotie-tv. Rouw is logisch en goed, maar vervangt het zoeken naar waarheid en juist handelen niet. Daarom moet er niet alleen worden gezwegen, maar juist gesproken.



Het vierde culturele effect van de werking van het no harm-beginsel in onze cultuur is dat de cultuur van slachtofferschap onze weerbaarheid verzwakt. Dit wordt vooral helder rond militaire kwesties. Als we een genocide op TV zien of de wreedheden van IS, willen we die stoppen. Maar als we militair ingrijpen maken we slachtoffers – daar ontstaat dus solidariteit mee die de militaire actiebereidheid verzwakt: we raken verstrikt in een verlammende meerzijdige loyaliteit. En komen ook nog eens te veel gesneuvelde militairen terug uit een conflictgebied. Dan bereikt ons incasseringsvermogen, het vermogen slachtoffers te zien, zijn grens: er ontstaat een roep om uit het betreffende conflict te stappen. Zo verzwakt de sensitiviteit voor slachtofferschap onze weerbaarheid. Die weerbaarheid is afhankelijk van ons anticiperend vermogen, van een vooruitziende blik, van prudentie. Een politieke deugd die we in gelijktijdige confrontatie met zowel Poetin als Isis als Noord-Korea wel kunnen gebruiken.

Dit mechanisme van aantasting van ons anticiperend vermogen bestaat al langer. Maar de recente terreuraanslagen voegen hier iets aan toe: ons eigen potentieel slachtofferschap, onze ultieme Achilleshiel. IS weet dat: het roept ons na Brussel op tot terugtrekking uit het Midden-Oosten. Dan valt het ons niet meer aan, zegt het, en kan het rustig doorgaan daar meer slachtoffers te maken.

Het vijfde culturele effect is dat we in onze cultuur van slachtofferschap niet kunnen omgaan met de dubbelrollen van mensen. Een vluchteling is een slachtoffer van conflicten, maar kan zich ook ontpoppen tot dader. En ook wijzelf, die onszelf zien als vreedzame potentiële slachtoffers van terreur, zien niet dat wij – of onze voorgangers – zowel de opkomst van IS als de vluchtelingenstromen zelf mede veroorzaakt hebben in achterliggende decennia. De eendimensionaliteit van de slachtoffercultuur camoufleert onze eigen dubbelrol.



Pasen is, als we de inhoud van dit feest bezien vanuit het perspectief van René Girard’s zondeboktheorie, een goede reden om kanttekeningen te plaatsen bij deze liberaal-postmoderne cultuur van slachtofferschap. Pasen geeft als het ware een paradigma om opnieuw naar slachtofferschap te kijken. Want Witte Donderdag – eerste dag van het Paas triduüm – draait niet om het verwerven en houden van vrijheid en macht, maar om samen zijn, delen en dienen. Goede Vrijdag is zo’n beetje het ultieme tegenbeeld van een zichzelf absoluut beveiligende samenleving; het is immers het feest van de kwetsbare zelfgave. Christus was zelfs op Goede Vrijdag immers niet een ‘slachtoffer’, niet passief en machteloos tegenover ‘de wereld’, maar een zichzelf schenkend persoon. Voor veel Europeanen is navolging hiervan momenteel te veel gevraagd, klaarblijkelijk, maar niettemin: van Goede Vrijdag gaat een vraagteken uit in de richting van onze oneindige behoefte aan beveiliging tegen slachtofferschap. Kunnen we wel verder met de risico-maatschappij? Pasen zelf is het feest van de overwinning op de dood, de ultieme bron van kwetsbaarheid. Voor zover de dood van Jezus Christus mede veroorzaakt was door het zondebokmechanisme – ‘het is beter dat een man sterft voor het volk’ – wordt het door de opstanding uit de dood vernietigd: de steen die bouwlieden hebben verworven is de hoeksteen geworden (Psalm 118:22; Handelingen 4:11). Christus is het symbool van het ‘slachtoffer’ dat het slachtofferschap transformeert door zichzelf te schenken, dat overwinnaar blijkt en dus de dodelijke machten ontmaskert, en dat zich na de opstanding niet wreekt – ‘vrede zij U’ en ‘wier zonden Gij vergeeft, hun zijn ze vergeven’. Radicaler is de overwinning op het zondebokmechanisme nog nooit geformuleerd.

Tussen het tanen van het christendom in Europa en de eendimensionaliteit van de cultuur van slachtofferschap bestaat volgens mij een verband. Het christendom zou niet zozeer troost kunnen bieden, maar een sleutelcode om de impasses van het Europese – deels vermeende – slachtofferschap te doorbreken, door meer nadruk te leggen op de hoop op doorbreking van het zondebokmechanisme. Het beweert immers bij hoog en bij laag dat de doorbreking van het zondebokmechanisme mogelijk is – zelfs als het dit in eigen praktijken vaak heeft voortgezet. Het christendom moet eindelijk weer eens uitleggen wat Pasen betekent. Daarbij gaat het er niet op de eerste plaats om een christelijke ‘identiteit’ te formuleren. Het identiteitsdiscours kan immers ook leiden tot het opsluiten van christenen in een cultureel reservaat. Het gaat er juist om dat niets minder dan de supercode van de Westerse cultuur als geheel zoek is zodra de horizon van universele vergeving en afzien van wraak taant.

Er is naar mijn mening een intrinsiek verband tussen de secularisatie en de omvang van de slachtofferrol van de post-christelijke Wilders en zijn populisten: zij claimen hun rechten als slachtoffers van de wereldgeschiedenis, zonder balans van vrijheid en verantwoordelijkheid, van rechten en plichten, en zonder morele horizon voor de politiek. Maar Wilders doet weinig meer dan het formuleren van een consequente vorm van plat-materialistisch op belangen gebaseerd liberalisme op basis van vermeend slachtofferschap. In die zin begrijpt hij de logica van het no harm-beginsel als geen ander: presenteer je als slachtoffer van de geschiedenis dat zijn recht op eist, en je wint verkiezingen omdat je herkend wordt. Het onvermogen om hierop te reageren vanuit andere partijen is gestoeld op het gegeven dat deze in feite op een fundamenteel niveau de logica van Wilders delen – die van het postideologisch pragmatisch, richtingloos, niet anticiperend liberalisme, waarin belangen het laatste woord hebben in plaats van de verantwoordelijkheid voor goed bestuur en goed samenleven zonder zondebokken. Alleen wie zelf geen zondebokken maakt, kan effectief subculturen aanspreken waarin het (al of niet vermeende) slachtofferschap leidt tot wraak, vergelding en het scheppen van zondebokken.

Fred van van Iersel is bijzonder hoogleraar vraagstukken geestelijke verzorging bij de krijgsmacht aan Tilburg School of Catholic Theology. Het artikel is overgenomen uit Nieuw Wij.
Comments